‘Als je je God voorstelt als een tienerjongen, valt alles plots op zijn plaats’

Een interview met Meg Rosoff
Meg Rosoff

Meg Rosoff debuteerde in 2004 met How I live now – in het Nederlands verschenen als Hoe ik nu leef – en had meteen succes. Meer jongerenromans volgden en in 2011 verscheen haar nieuwe boek, In het begin was er… Bob. Een interview met de schrijfster.

Waar heb je de inspiratie vandaan gehaald voor In het begin was er Bob?

Mijn man hoorde op een dag op de radio een programma over al de acteurs die de rol van God hadden gespeeld in films. Hij zei boos: ‘Zo dom van Hollywood dat ze altijd een oude blanke man gebruiken om God te spelen. Dat getuigt van zo’n volledig gebrek aan verbeeldingskracht. Waarom gebruiken ze niet een keer een tiener?’ Het was net alsof er boven mijn hoofd een lamp werd aangeknipt. Ik wist meteen dat ik een boek wou schrijven over een tiener die God was. Dat sloot mooi aan bij al mijn denkbeelden over de adolescentie. Tieners zijn vaak heel egoïstisch, ze denken dat ze het middelpunt van het heelal zijn, dat alles om hen draait. Ik heb ongeveer een jaar met deze idee rondgelopen, ik wist dat het een fantastisch idee was… Maar ik was ook bang. Boeken gebaseerd op een schitterende idee zijn vaak de moeilijkste om te schrijven.

Het thema houdt me al lang bezig. Als kind dacht ik vaak na over God en het heelal en de schepping en dat soort dingen… Ik herinner me hoe ik in bed lag en nadacht over hoe het zou zijn als ik voorgoed dood zou zijn. Een vreselijke gedachte. Ik ben opgegroeid in een joodse familie, maar ik wist van het prille begin dat ik zelf een atheïst was. 

—Ik heb nooit een schema van hoe een verhaal zal lopen.
Ik begin gewoon te schrijven.

— Meg Rosoff

Waar komt zoiets vandaan? Waarom hebben sommige mensen zo’n sterk religieus gevoel, en hebben anderen dat zo weinig? Ik vind mensen als Richard Dawkins, die zeggen dat er geen God is, ongelooflijk saai. Oké, ik denk ook dat er geen God is, daarover zijn we het eens, maar wat mij veel meer intrigeert, is dat van de zeven miljard mensen op aarde er misschien vijf miljard in een God geloven. Dat is toch veel interessanter?

Al schrijvend ontdekken wat je denkt

Je bent atheïst, maar uit dit boek krijg ik het gevoel dat je veel sympathie hebt voor alles wat met religie te maken heeft.

Dat heeft ermee te maken dat je al schrijvend gaandeweg ontdekt wat je denkt. Door het schrijven. Ik heb nooit een schema van hoe een verhaal zal lopen. Ik begin gewoon te schrijven. Bij het schrijven van de eerste versie zat Waiting for Godot van Samuel Beckett ergens in mijn achterhoofd. In mijn versie zou het worden: Bobs secondant, meneer B, stelt zich kandidaat voor een overplaatsing, en het hele boek door wacht hij op een antwoord, maar dat komt nooit. Op het einde zijn er alleen hij en Bob, die voorgoed vastzitten aan elkaar, in hun verschrikkelijke relatie. Toen mijn redacteur de eerste versie las, zei ze: ‘Meg, straks doen de lezers zichzelf nog iets aan, dit is het meest deprimerende boek dat ik ooit gelezen heb.’ Ik ben geen dingen gaan veranderen omdat mijn redacteur een vrolijker verhaal wou, maar bij het herlezen viel me wel op dat het allemaal heel tweedimensionaal was. Als je over zulke prototypische personages als goden schrijft wordt het algauw heel tweedimensionaal. Ik moest de personages ‘echter’ maken. En hoe echter ik ze maakte, hoe meer sympathie ik voor ze kreeg. Het boek werd op die manier meer een bevestiging van het geloof dan ik verwacht had.

Je stelt God voor als een egoïstische, door seks geobsedeerde tiener. Was je je ervan bewust dat dat tot controverse zou leiden?

Daar trek ik me niks van aan. Dat is mijn taak niet. Schrijvers moeten schrijven wat ze willen schrijven, wat ze móéten schrijven. Als dat tot controverse leidt, is dat maar zo. Mijn eerste boek vertelt een liefdesverhaal tussen neef en nicht. Ik had er nooit bij stilgestaan dat dat een probleem kon zijn, maar een hoop lezers is erdoor geschokt. Dat de twee geliefden veertien en vijftien zijn, daar staat niemand bij stil, zelfs in Amerika hoor je daar geen klachten over.

De religieuze structuur in dit boek heeft veel gemeen met het christelijke geloof, met een schepping in zeven dagen, maar er zijn ook veel overeenkomsten met de Griekse en noordelijke goden. Was het een bewuste keuze om die met elkaar te vermengen?

Als atheïst geloof je in geen van die goden, natuurlijk, en als bedenker, als schepper van dit verhaal, vond ik dat ik kon kiezen wat ik wou. Als kind hoorde ik altijd weer: is God niet wonderlijk? Hij heeft de mens geschapen naar zijn evenbeeld. Maar dan moet hij toch wel helemaal verknipt zijn? Kijk even om je heen. Criminaliteit, kanker, oorlog, klimaatverandering… De wereld is één grote puinzooi. Wat zegt dat dan over God? Maar als je je God voorstelt als een tiener, valt alles plots op zijn plaats. Hij schept de wereld in zes dagen, gewoon omdat hij lui is. Wie haalt het in zijn hoofd om 25 miljoen soorten te scheppen op zes dagen? Dan heb je toch niet de tijd om er goed over na te denken! Voor mij verklaart het perfect waarom alles zo’n puinhoop is.

—Schrijvers moeten schrijven wat ze willen schrijven, wat ze móéten schrijven. Als dat tot controverse leidt, is dat maar zo.

— Meg Rosoff

Toch suggereer je dat een goed doordachte schepping ook niet alles is… Bob experimenteert bv. met allerlei soorten licht, die niet werken maar wel fantastisch zijn. De oplossing van meneer B werkt wel, maar is dan weer niet creatief…

Meneer B is uiteindelijk een soort ambtenaar. Dat is ook waarom hij het baantje van God niet gekregen heeft, ze vonden hem te saai. Dat is hij natuurlijk ook. En dat is zo verbazingwekkend aan tieners, ook aan Bob: hij is echt vreselijk, ligt helemaal overhoop, is geobsedeerd door seks en zichzelf. Hij maakt zoveel fouten. Maar tegelijk beschikt hij over een ongelooflijke dosis waanzinnige creativiteit en optimisme. En hij heeft zijn kortstondige momenten van genialiteit. Daar groeien mensen vaak uit omdat hen verteld wordt dat ze flink en braaf en verstandig moeten zijn, goede ouders, goede werknemers, die niet te veel vragen stellen. Op tienerleeftijd zijn mensen het meest extreem en creatief en gepassioneerd.

Wie ben ik?

Schrijf je daarom zo graag over adolescenten?

Een bevriend docent creatief schrijven zegt: als je mensen vraagt wat de belangrijkste momenten in hun leven waren, vertelt dat je wat voor schrijver ze willen zijn. Mijn adolescentie was een hele moeilijke, ingewikkelde tijd, die liep van mijn zestiende tot ergens in de dertig. De adolescentie is dé periode in je leven waarin je zoekt naar antwoorden. De grote vraag is: wie ben ik? Voor sommige mensen is dat behoorlijk duidelijk. Mijn dochter van veertien weet waar ze goed in is, wie ze is… Voor mij was dat allemaal heel onduidelijk.

Ik was 46 toen ik mijn eerste roman schreef. Ik wilde al mijn hele leven schrijver worden, maar ik ging dat uit de weg. Ik was bang, dacht dat ik het niet kon. Dus probeerde ik allerlei andere dingen. Telkens bleek dat ik daar slecht in was. Maar de kunst om duidelijk te weten wie je bent, is een van de belangrijkste voorwaarden voor een bevredigend leven. Als je jezelf niet helder ziet, kan iemand anders je ook niet zien. Als twintiger werd ik almaar verliefd op de belachelijkste mannen. Altijd weer de verkeerde man. Ze zagen me ook nooit écht graag. Of er werd iemand verliefd op mij waar ik dan weer geen interesse in had… Ik begreep maar niet waarom dat allemaal zo moeizaam ging. Nu denk ik: ik wist niet wie ik was, hoe kon iemand anders dat dan weten? Hoe konden ze weten waar ze verliefd op konden worden?

 

Als je twintig jaar loopt na te denken over dat soort dingen, ga je er op den duur ook over schrijven. Dat is tenslotte wat je kent. Mensen vragen wel eens: waarom schrijf je niet over de middelbare leeftijd, of over het huwelijk? Ik heb een heel gelukkig huwelijk, in vergelijking met mijn vroegere leven loopt mijn leven nu erg vlotjes, waarom zou ik daarover schrijven? In tevreden zijn zit nu eenmaal minder materiaal dan in verward zijn.

—Je bent je eigen onderwerp, je onderwerp kiest jou.

— Meg Rosoff

Je schreef je eerste boek op je 46ste…

Iedereen heeft altijd een schrijver in me gezien. Ik heb ook altijd heel goed kunnen schrijven. En dat kan ik nog steeds. Ik ben een stilist. Ik ben van nature echt geen verhalenverteller. Plots en verhalen interesseren me niet bijster. Dus ging ik ervan uit dat ik geen schrijver kon worden, want een schrijver moet verhalen vertellen. Dat dacht ik. Er speelde nog iets mee. Ik had voor mezelf uitgemaakt dat ik nooit een boek wilde schrijven dat niet even goed was als de boeken die goed vond. En je moet weten at ik een hele kritische lezer ben, er zijn weinig boeken die ik echt helemaal goed vind. Ik wilde geen tweederangsboek schrijven. En angst, natuurlijk. Faalangst, angst dat ik het niet zou kunnen. En toen kwam het moment dat ik begon te schrijven. Shakespeare laat Hamlet zeggen: ‘The readiness is all.’ Wel, ik was er klaar voor. Voor Hoe ik nu leef heb ik nog een boek geschreven, gewoon om te oefenen, om te kijken of ik het kon. Ik hield als kind van paarden en las elk paardenboek dat er bestond, en ik dacht: ik ben niet goed in het verzinnen van een plot, maar ik kan wel de plot van een paardenboek gebruiken. Ik begon eraan met de bedoeling een eenvoudig boek te schrijven over een rijk meisje, een arm meisje en een paard, maar het werd veel donkerder dan ik verwacht had. Je bent je eigen onderwerp, je onderwerp kiest jou. Dat eerste boek heb ik nooit laten verschijnen.

Schrappen, schrappen, schrappen

Mijn agent zei: ‘Waarom schrijf je niet een ander boek? Schrijf het beste boek dat je kunt schrijven.’ Voor het eerst had ik het gevoel dat iemand me de toestemming gaf om heftig te zijn, heftig te schrijven. De vrouwen van mijn generatie hadden dan wel het feminisme, maar we werden ook opgevoed om… ‘good girls’ te zijn. Mijn moeder zei altijd tegen mij: gedraag je toch wat meer zoals het een dame betaamt. Houd je in. Wees niet zo luidruchtig. Wees niet zo mannelijk. Maar ik ben wie ik ben. Er wordt wel eens gevraagd: vind je het niet moeilijk om over een jongen te schrijven? Neen. Dat heeft met gender te maken. In het hele spectrum tussen heel vrouwelijk en heel mannelijk zit ik dichtbij het midden. Ik heb altijd een jongen willen zijn. Ik heb geprobeerd me meer te gedragen ‘zoals het een dame betaamt’, maar ik kon het niet. En toen ik dat eerste boek schreef, werd voor de allereerste keer tegen me gezegd: ‘Houd je niet in. Blaas ons van onze sokken!’

Hoe kwam je er uiteindelijk toe die stap naar het schrijven toch te zetten?

Door de dood van mijn jongste zus. Ze was 37 toen ze kanker kreeg, ze stierf op haar veertigste. We weten allemaal dat we op een dag zullen doodgaan. Maar het is dé grote ontkenning in ons menselijke bestaan: we gaan allemaal maar door, alsof we het eeuwige leven hebben. Ik werkte destijds in de reclame. Na haar dood dacht ik: als ik morgen overreden word door een bus, ben ik dat meisje waarvan iedereen zei dat ze verstandig was en goed kon schrijven en dat een baan deed waar ze een hekel aan had. Plots kon ik accepteren: oké, het beste boek ooit schrijven zit er niet in. Ik zou een paardenboek schrijven, het hoefde geen fantastisch boek te zijn. Maar ik wilde proberen om van mijn pen te leven. Voor die tijd had ik niks geschreven, geen verhalen, geen artikelen, niks. Maar elke baan die ik ooit gehad heb – in de uitgeverij, de pr, de reclame – bleek wel een soort leertijd te zijn geweest. De reclame is echt het vreselijkste beroep ter wereld, maar je leert wel dat er niemand zit te wachten tot jij je onsterfelijke woorden aflevert. Je moet de lezers pakken, hun aandacht trekken en vasthouden. Anders zal niemand je lezen.

In de reclame heb ik ook geleerd dat je moet schrappen, schrappen, schrappen. Je schetst iets in een paar regels en laat de mensen dat invullen met hun eigen beelden. Bijna alle auteurs gebruiken naar mijn gevoel veel te veel woorden. Ik denk dan: begin almaar met een derde te schrappen. Ik krijg veel mails van jonge lezers: ‘Wat gebeurde er nou precies? Je zegt niet dat Edmund en Daisy seks hadden, hebben ze echt…?’ Dan antwoord ik: ‘Het is jouw boek, vertel jij het me maar.’

Je begon te schrijven toen je zus overleed. Is sterfelijkheid daarom in al je boeken zo’n belangrijk thema?

Ja. Maar sterfelijkheid, en de gedachte dat het leven kort is, is iets waar ik eigenlijk voortdurend mee bezig ben. Elke dag. Nu ik zelf ook kanker heb gehad, na mijn zus, nog meer. Nu denk ik bewust over de dood. Heel de tijd. Ik wil er niet door verrast worden. Dat we uiteindelijk allemaal doodgaan, is voor mij het belangrijkste gegeven van het menselijk leven. Veel mensen leiden hun leven en duwen die gedachte voortdurend weg omdat ze bang zijn, omdat ze iets heel belangrijks ontkennen. Je kunt wel horen dat ik drie jaar in therapie geweest ben. (lacht) Er is een Duits woord voor de belangrijkste idee achter dressuur: Durchlässigkeit, ‘doorstroming’. Dressuur gaat over energie die van jou naar het paard gaat en eruit komt in één mooie elegante beweging. Bij het schrijven stroomt er iets van ergens diep in je onderbewuste door je lichaam, door je geest, in het boek, en zo naar de lezer. Er zijn schrijvers die de hele tijd iets blokkeren, zodat het er niet door kan stromen. Bij een schrijfster die over grote emoties schrijft had ik vaak het gevoel dat er een afstand bleef. Ik begreep dat niet. Tot ik hoorde dat ze lesbisch was. Ik wil niet zeggen dat je over jezelf moet schrijven, over je eigen seksualiteit of geaardheid. Helemaal niet. Het gaat erom dat ze blijkbaar bang was dat dat stukje eruit zou komen. Sommige schrijvers hebben ergens in zichzelf een soort glazen wand, waar iets achter zit wat ze niet willen delen, iets wat ze niet willen dat erdoorheen komt.

—In de reclame heb ik ook geleerd dat je moet schrappen, schrappen, schrappen.
Je schetst iets in een paar regels
en laat de mensen dat invullen met hun eigen beelden.

— Meg Rosoff

Je zegt: ik ben een stilist, geen verhalenverteller. Maar in dit boek moest je een hele wereld scheppen, van nul…

Ik was enorm zenuwachtig toen ik aan het boek begon. De meeste van mijn boeken zijn opgebouwd rond een reis of een heel ouderwets idee. Neem Hoe ik nu leef: meisje gaat bij een andere familie wonen. Een van de oudste ideeën in de kinderliteratuur. Dan worden ze gescheiden en moeten ze terug bij elkaar komen. Een mooie, eenvoudige structuur. Ook in Wat ik was zit uiteindelijk weinig plot. Jongen ontmoet jongen, ze leren elkaar beter kennen… Heel eenvoudig. Dit boek was veel ingewikkelder, met meer personages. Echt een nachtmerrie om te schrijven.

Schrijfplezier

Vreemd, want als je het leest, voel je net veel vertelplezier.

De freelance proeflezer van de uitgeverij mailde mij nadat ze de proef had gelezen. Dat is heel ongebruikelijk, want meestal sturen ze hun rapport naar de uitgeverij, en dat is het dan. Zij mailde: ik heb zo genoten van dit boek, het schrijfplezier spat van elke bladzijde. Ik herinner me dat ik dacht: oef! Ik ben ermee weggekomen!

Oorspronkelijk zag de plot er heel anders uit. Estelle was een reusachtige travestiet, een heel tweedimensionaal personage. In het pokerspel moest Bob uiteindelijk met haar trouwen. Dat was de inzet, omdat ze geen man voor haar konden vinden omdat ze zo vreselijk was. Maar het werkte niet. Het moment waarop ik de Eck introduceerde, was een keerpunt. Zelfs al is hij een verzonnen personage, en best grappig, hij vertegenwoordigt de stem van de mensheid. Je kan een menselijk personage niet laten zeggen: waarom heb je ons zo gemaakt? Dat voelt niet goed. Maar hij is zo’n onschuldig wezen dat hij kan zeggen: wat een onvriendelijke scheppingsdaad dat we niet alleen sterfelijk zijn, maar ook weten dat we gaan sterven. Omdat het van hem komt, heeft het is heel puurs, iets aangrijpends.

In het begin was Lucy een vreselijk personage, ik mocht haar echt niet. Ze was heel gelovig, heel mooi, maar ik voelde helemaal geen sympathie voor haar. Maar een boek werkt niet als je geen sympathie hebt voor je personages. Een Amerikaans recensent schreef: ‘Het is een goed geschreven boek, maar er zit zo’n verachtelijk personage in.’ Ik was verontwaardigd. Natuurlijk is Bob vreselijk, maar ik heb hard mijn best gedaan om hem net-niet-al-te-vreselijk te maken. Hij is echt een tiener. In mijn directe omgeving heb ik tieners gezien die enorm veel ruimte innamen. Ze banjerden de trap af, aten de koelkast leeg en gingen weer naar boven om op hun computer te spelen, in een stinkende vuile kamer. Vreselijk. En toch hadden ze ook iets aangrijpends. Het is ook niet simpel om een tiener te zijn. Het is verwarrend, je hormonen slaan op hol, je weet niet of er ooit iemand van je zal houden, je vindt jezelf onaantrekkelijk. Het is net die zelftwijfel die hen tegelijkertijd sympathiek en vreselijk maakt.’

—Wat voor mij je leven de moeite waard maakt is liefde.
Dat is een groot cliché, maar het is wel waar denk ik.
Iemand anders gelukkig maken, om iemand geven,
dat is wat geluk geeft, wat het leven zin geeft.

— Meg Rosoff

Naast Bob is er meneer B. Zit daar veel Meg Rosoff in?

Enorm veel. Ik identificeer me altijd met mijn hoofdpersonage, Bob vormt daar de enige uitzondering op. Mijn sympathie ging helemaal naar meneer B. Ik ben geen ambtenaar, ik ben ook niet de persoon die alles altijd probeert te redden, zoals hij doet, maar hij is wél degene die oprecht om de wereld bekommerd is. In dit boek staat hij het dichtst bij mijn eigen stem.

En dan is er de Eck. Waar kwam de idee vandaan om zo’n bizar dier te creëren?

In The Doubtful Guest van Edward Gorey, een verhaal in Victoriaanse stijl dat ik 30 jaar geleden las en waar ik altijd van gehouden heb, zit een wezentje dat een klein beetje op de Eck lijkt. Het zou wel eens kunnen dat dat ergens in mijn achterhoofd zat toen ik de Eck bedacht. En ik vind ook dat pinguïns iets volkomen onweerstaanbaars hebben. Het zijn zulke gekke, grappige, onhandige dieren. Dus een wat pinguïnachtig personage beviel me wel. En ik heb ook aan dodo’s gedacht. Ooit waren er miljoenen van hen, en toen nog eentje, en toen geen meer. Net zoals de Eck de laatste van zijn soort is.

De toekomst van de Eck ziet er niet goed uit. Bob trekt zich niks van hem aan, zet hem zelfs in bij het gokken. Toch is er hoop op het einde, het boek eindigt zelfs op dat woord. Die hoop lijkt te liggen in het om elkaar geven.

Dat is alles wat we hebben, toch? We gaan uiteindelijk allemaal dood, we hebben allemaal een kort leven. Jij en ik zijn gelukzakken, met redelijk zekere, veilige levens. Een hoop mensen leiden een verschrikkelijk leven. Als je nauwelijks te eten hebt en je kinderen sterven van de honger, dan is het enige wat je hebt: dat je om elkaar kunt geven. Mijn doel in het leven is: sterven zonder het gevoel te hebben dat ik te veel spijt moet hebben. Sommige mensen maken van die idiote lijstjes ‘100 dingen die je gegeten moet hebben voor je sterft’ of ‘100 plekken die je bezocht moet hebben voor je sterft’. Wat voor mij je leven de moeite waard maakt is liefde. Dat is een groot cliché, maar het is wel waar denk ik. Iemand anders gelukkig maken, om iemand geven, dat is wat geluk geeft, wat het leven zin geeft.

Er zitten heel ernstige thema’s in dit boek. Liefde, vergankelijkheid, de toestand waarin de wereld zich bevindt… Toch is dit een heel humoristisch boek. Was die humor nodig als tegenwicht? 

Als je vertrekt van de idee dat God een tienerjongen is, wordt het automatisch grappig. Ik ben zelf best een grappig mens, mijn dagelijkse omgang met mensen zit vol grapjes. Toch had ik nooit eerder iets komisch geschreven. Ik weet niet waarom ik altijd zulke ernstige boeken schrijf. Misschien toch omdat het komische de neiging heeft alles vlak te maken. Dan moet je weer gaan ploeteren om je personages driedimensionaal te krijgen. Een ‘echte’ Estelle is veel minder grappig dan een travestieversie, maar geeft het boek wel veel meer diepgang.

—. Ik weet niet waarom ik altijd zulke ernstige boeken schrijf. Misschien toch omdat het komische de neiging heeft alles vlak te maken.

— Meg Rosoff

Stilist

Je boeken verschillen erg van elkaar, met een in de adolescentenliteratuur ongeziene stilistische variatie. Wat hebben ze volgens jou gemeen?

Het klinkt wellicht heel naïef, maar ik vind dat ze allemaal erg op elkaar lijken. Ik herinner me zelfs een moment dat ik echt bang was dat mijn uitgever zou zeggen: ‘Zeg, Meg, je boeken lijken echt veel te veel op elkaar.’ Ze gaan altijd over de tocht van een adolescent die zichzelf ontdekt. In Hoe ik nu leef wordt Daisy volwassen door van iemand anders te houden. Justin Case gaat over een depressie, en Justin kiest voor het leven. Wat ik was, mijn meest intieme boek, waar ik erg veel van hou, gaat over iemand van honderd die nooit echt heeft begrepen wie hij zelf eigenlijk was, seksueel. Is hij homo of niet? Ik denk dat het ook wel mijn meest trieste boek is. Niemandsbruid vertelt over de tocht van een meisje, weg van haar familie. Zij denkt dat ze alles daarmee achter zich laat en beseft pas later dat het niet zo eenvoudig is. Dat zijn allemaal verschillende aspecten van die zoektocht naar jezelf, naar wie je echt bent.

In dit boek gebeurt dat niet met de hoofdpersoon…

Nee, hij verandert niet. Hij is de eeuwige tiener.

… maar wel met Estelle en meneer B.

Helemaal waar. Estelle ontdekt wie ze wil zijn, en meneer B uiteraard. Hij vraagt zich af of hij weg kan of niet en beseft plots: die hopeloze Bob was God niet, die hele tijd, hij was het. Dat kwam al schrijvend, ik had vooraf geen idee dat meneer B zich zou realiseren dat hij heel de tijd God was geweest. Het kwam er automatisch uit, ik was zelf geschokt. Ik ben opgestaan en ben een eindje gaan wandelen. Toen ik herlas wat ik geschreven had, kon ik het niet geloven. Dat zijn de beste momenten tijdens het schrijven: wanneer het schrijven zelf het overneemt.

Is dat niet ook beangstigend?

Zo werkt het nu eenmaal. Tijdens schoollezingen zeg ik kinderen altijd: je leest een boek, hoofdstuk na hoofdstuk na hoofdstuk, en je denkt dat het ook zo geschreven is. Niets is minder waar. Meestal gaat het helemaal anders. Ik schrijf heel snel iets wat lijkt op een soort skelet, met het begin, een vaag idee van het verhaal, en het einde. Dan ga ik terug en begin dat raamwerk in te vullen. In elk van mijn boeken heb ik naar het einde toe bv. nog personages toegevoegd. In Wat ik was waren er eerst alleen Finn en Hilary. Kamergenoot Reece was er ook wel, maar hij was geen belangrijk personage. Mijn redacteur zei: je moet het meer in balans brengen. Daarom heb ik hem belangrijker gemaakt, en ineens kreeg het boek alle dimensie die het nodig had.

Je bent een stilist. Hoeveel plezier schep je in het werken met taal?

Daar zit heel het schrijfplezier. Ik dacht dat dat voor elke schrijver zo was, maar blijkbaar is dat niet zo. Ik kan een zin teruglezen en één woord veranderen, door een bijna identiek woord, maar met één lettergreep minder, omdat ik het ritme dan beter vind. Ik denk daar niet bij na, ik doe dat onbewust. Vergelijk het met muziek. Ik begrijp helemaal niet hoe je een symfonie schrijft, hoe je al die verschillende partijen in je hoofd kunt horen. Maar ik hoor taal wel op die manier. En daar ben ik goed in, denk ik. De plot daarentegen is een echte marteling voor mij. Wat gebeurt er vervolgens? Euh… geen idee.

Is schrijven hard werken?

Niet zoals de baan van een politicus of een wegenwerker hard werken is, nee. Maar soms is het wel onaangenaam, op momenten dat het niet goed gaat. Omdat het beangstigend is. Ik hoorde een schrijver eens vertellen dat hij één op de drie boeken opgaf, omdat hij het gevoel had dat ze niet werkten. Ik was verbijsterd. Als ik dat zou doen, zou ik élk boek opgeven. Want ik heb bij elk boek dat gevoel. Maar ik koester die angst ook. Als je de angst kwijt raakt, doet het er niet meer toe of je een goed boek schrijft. De angst drijft mij. Ook op een heel praktisch niveau: ik betaal de hypotheek, ik betaal de rekeningen, ik moet blijven schrijven. Ik raakte in paniek toen ik merkte dat mijn redacteur in Londen zat te wachten op mijn nieuwe boek, ze zei steeds maar: laten we eens een koffietje gaan drinken. Ze wilde weten waarover het zou gaan, en ik had geen flauw idee. En ineens was het er.

—Een boek dat je niet gelezen hebt is gewoon een verzameling zwarte krabbeltjes, maar zodra je begint te lezen gaan die krabbeltjes een hele driedimensionale wereld vormen, waar je in kunt leven terwijl je aan het lezen bent.
Dat is toch ongelooflijk?

— Meg Rosoff

Kan je er al iets over vertellen?

Het is wéér een heel ander soort boek. Het is ook het eerste dat in Amerika speelt. Het gaat over twee volwassen mannen, vroegere schoolvrienden. Op een dag laat de ene vrouw en dochter zomaar in de steek. De vriend gaat hem zoeken. Waarom is hij verdwenen? Ik zat bijna aan het eind en had zelf nog geen idee waarom hij verdwenen was. Ik heb wel twee maanden lopen denken: waarom toch? Had hij een kind iets aangedaan? Had hij per ongeluk iemand vermoord? Moet het wel iets groots zijn? Sommige mensen gaan de deur uit om een brood te kopen en verdwijnen, dat is een bekend fenomeen. Maar fictie zit anders in elkaar dan de werkelijkheid. Als in een boek iemand verdwijnt moet er een reden zijn. Ik moest zien uit te vinden welke reden dat was.

Ik ben zelf geen goed detectivelezer. Je moet eigenlijk de hele tijd theorietjes ontwikkelen in je hoofd, en ik ben daar niet goed in. Maar een bekende detectiveschrijfster, Donna Leone, zei op de radio dat ze nooit weet wie het gedaan heeft in haar boek. Tot helemaal op het eind. Ik was verbijsterd toen ik dat hoorde. Detectives lijken altijd zo goed in elkaar gestoken. Maar als je erover nadenkt, is vanuit het standpunt van de detective iedereen een verdachte. Elk personage heeft een reden om verdacht te zijn voor de detective. Tot je aan het eind beseft: neen, hij is het niet, en wel daarom.

Waarom lees je zelf?

Omdat ik op die manier een andere wereld binnen kan gaan, omarmd kan worden in de wereld van een ander. De idee dat die grappige zwarte krabbeltjes op papier een verhaal vormen heeft me altijd geboeid. Een boek dat je niet gelezen hebt is gewoon een verzameling zwarte krabbeltjes, maar zodra je begint te lezen gaan die krabbeltjes een hele driedimensionale wereld vormen, waar je in kunt leven terwijl je aan het lezen bent. Dat is toch ongelooflijk? En het is veel makkelijker dan het echte leven. Je kunt verliefd worden op een personage, maar je moet zijn vuile was niet van de grond plukken.

 

Uitgelezen Icoon Bekroning

In 2016 ontving Meg Rosoff de ALMA, de Astrid Lindgren Memorial Award, zowat de belangrijkste internationale prijs op het vlak van kinder- en jeugdliteratuur. Lees hier waarom de jury zo onder de indruk was van haar oeuvre.

Uitgelezen Icoon Boek Als je dit graag leest

In 2021 verscheen van Meg Rosoff de meesterlijke coming-of-ageroman De Godden Broers. Lees de recensie hier.

Deel dit bericht

LEES OOK

‘Een boek moet je raken’

Een interview met Jacques Dohmen …

‘Het belang van lezen gaat echt niet alleen om leesplezier’

Een interview met Aidan Chambers …

‘Als je wilt, kun je in jezelf alles vinden’

Een interview met Aidan Chambers …
Abonneer
Laat het weten als er
1 Reactie
Oudste
Nieuwste Meest gestemd
Inline feedbacks
Bekijk alle reacties

[…] In 2011 had ik een uitgebreid interview met Meg Rosoff. Je kunt het hier lezen. […]

Een vader die alles kan

Hoe kunnen er zoveel gedachten in één hoofd passen?

Iedere olifant doet wel iets

Reading literature gives us images to think with.

— Aidan Chambers

meest recente berichten

O kom er eens kijken

De liefste sinterklaas die er bestaat

Wolvenweer

Wolf wordt weerman

Zoeken