‘Ik denk dat ik wel mijn hele leven mannekes zal tekenen’

Een interview met Ingrid Godon
Ingrid Godon

In 2015 kreeg Ingrid Godon de Boekenpauw voor haar magistrale Ik denk, dat ze samen met Toon Tellegen maakte. Kort voor het verschijnen van het bekroonde boek had ik een lang gesprek met haar, in haar atelier in Lier.

De tekenkamer noemt ze het zelf, alsof atelier een te groot woord is voor de ruimte op de bovenverdieping van haar huis waar ze tekent. Alsof ze mijn gedachten raadt, zegt ze, bijna verontschuldigend: ‘Nu de kinderen groot zijn, ga ik de bovenverdieping verbouwen, zodat de tekenkamer groter wordt. Het is hier te klein, ik heb te weinig plek, zeker nu ik experimenteer met druktechnieken.’ Een propvolle boekenwand, veel illustraties van Godon zelf aan de muur, illustraties van bevriende illustratoren (‘We ruilen wel eens wat’), en overal kleine en grote voorwerpen waar een verhaal achter lijkt schuil te gaan: een oud houten ledenpopje, dat ze tijdens haar opleiding in allerlei houdingen moest natekenen, en dat nu getooid is met een koningsblauwe mantel en een gouden kroon, prachtig geïllustreerde enveloppen van brieven van Axel Scheffer aan Ingrid Godon, affiches van tentoonstellingen, foto’s… Alles ademt een grote zin voor schoonheid, maar vertelt ook een verhaal van een lange carrière.

Hoe is het allemaal begonnen voor jou?

Ik heb een zeer grillig parcours afgelegd. Mijn schoolresultaten waren niet goed. Ik tekende wel heel graag. Mijn moeder vertelt altijd dat ik tekende vanaf het moment dat ik een potlood kon vasthouden. Voor mij was tekenen iets heel vanzelfsprekends, even normaal als eten en drinken. Op school zat ik vaak te tekenen. Maar met de algemene vakken wilde het niet lukken. En dus zakte ik in de middelbare school naar een lager niveau, naar de afdeling sierkunsten. Maar ook daar heb ik afgehaakt. Toen ben ik in Lier op de academie terechtgekomen. Daar was net een afdeling stand- en etalagebouw opgericht en een tante van me dacht dat misschien wel iets voor mij zou zijn. Maar het was echt mijn ding niet, ik was ook absoluut niet handig. 

Op dat ogenblik begonnen ze met een kunsthumaniora. De directeur overtuigde mijn ouders om me dat te laten volgen. Ik was de eerste van de klas in tekenen, maar helaas niet voor de andere vakken, het verhaal herhaalde zich. Ik zat nog altijd te tekenen. Ik zag hoe een van mijn klasgenotes haar tekeningen altijd prominent op haar bank plaatste als de tekenleraar eraan kwam en ik merkte dat ze dan steeds complimenten kreeg. Ik was daar te timide voor, maar op een dag heb ik al mijn moed bijeengeraapt en heb ik toch een tekening laten rondslingeren op mijn bank. We hadden een zeer goede tekenleraar, Rik van den Branden. Ik weet nog hoe zenuwachtig ik was. Wat zou hij ervan vinden? Hij kon bijna niet geloven dat ik dat getekend had, en wou meer werk van me zien. Hij dacht dat ik een ideaal kinderboekillustrator zou kunnen zijn. Ik viel uit de lucht. Ik wist niet eens dat dat een beroep was, dat je daar je boterham mee kon verdienen.

Die tekenleraar heeft mij en mijn klasgenote dan voorgesteld om ons een soort opleiding te geven na de kunsthumaniora, want een echte illustratrorenopleiding bestond er nog lang niet. Tussen de lessen door kregen we opdrachten van hem. Ik herinner me nog hoe we een ledenpopje moesten natekenen in allerlei houdingen, omdat hij wou dat we inzicht zouden krijgen in hoe een menselijk lichaam beweegt. Verder kwam het er vooral op neer dat we zijn tekeningen kopieerden. Hij schilderde met plakkaatverf, dus dat is het enige wat ik geleerd heb. (lacht) Na een jaar stopte de opleiding. De rest moest ik zelf uitvinden. Aangezien mijn leraar had gezegd dat ik een ideaal kinderboekenillustrator zou zijn, ben ik dan maar in de Gouden Gids op zoek gegaan naar uitgeverijen. Zo ben ik bij Plantyn, een uitgever van schoolboeken, terechtgekomen. Ik heb ze opgebeld, en mocht langsgaan. Ik had niet eens een portfolio, ik wist niet dat dat bestond. Maar ze zagen wel wat in me, en ik ben naar huis gegaan met een opdracht.

Jarenlang heb ik niets anders gedaan dan tekeningen voor schoolboeken. Illustraties bij rekenmethodes, taalmethodes, geschiedenisboeken… De vakken die ik niet begreep mocht ik nu wel illustreren. (lacht) Ik heb ook massa’s illustraties gemaakt voor schooltijdschriften, in België en Frankrijk. Ik beschouw die tijd als een hele lange leerschool. Dat ik dat soort werk zo lang ben blijven doen, heeft voor een groot stuk te maken met mijn heel laag zelfbeeld. Ik dacht nog steeds zoals dat meisje dat erop school niks van terechtbracht. Ik was allang blij dat ik met tekenen, wat ik graag deed, mijn brood kon verdienen. Dat was voor mij al: wow.

Ingrid Godon

—Jarenlang heb ik niets anders gedaan dan tekeningen voor schoolboeken. Illustraties bij rekenmethodes, taalmethodes, geschiedenisboeken… De vakken die ik niet begreep mocht ik nu wel illustreren.

— Ingrid Godon

Hoe ben je dan toch in de kinderboeken terechtgekomen?

Via mijn werk voor Franse kindertijdschriften. Die illustraties werden opgemerkt door Casterman. Het allereerste boek dat ik voor hen maakte was een kijkwoordenboek, met op elke spread een thema en allemaal woordjes die met dat thema te maken hebben. Bij elk woordje hoorde een illustratie. Achthonderd heb ik er gemaakt voor dat ene boek. Achthonderd! En daarna kwamen er nog een paar van die kijkwoordenboeken… Ze zijn ook vertaald, o.a. in het Engels. In die tijd ben ik ook boeken voor Averbode en eerstelezersboeken voor Zwijsen beginnen illustreren. Ik werkte keihard, ik had altijd vijf à zes opdrachten lopen. Ik was gewoon blij dat er werk kwam. Aan carrièreplanning deed ik niet. De opdrachten kwamen op mij af, ook de internationale opdrachten. Na die eerste kijkwoordenboeken voor Casterman werd ik opgebeld door het Engelse Macmillan. Ze zagen wel wat in mij. Ik was in de jaren daarvoor in Bologna al wel eens benaderd door een buitenlands literair agent, maar ik was daar nooit op ingegaan, ik had ten slotte werk genoeg.

—Het was voor mij een sport om commercieel en toch fijn te blijven. Ik heb steeds geprobeerd mooie boeken te maken die toch een breed publiek konden aanspreken.

— Ingrid Godon

Maar Macmillan nam rechtstreeks contact met me op, een van de uitgevers is zelfs naar België gevlogen om kennis te maken. Ik ben toen rechtstreeks voor hen gaan werken. What shall we do with the Boo-Hoo Baby was het eerste boek dat ik voor hen maakte. Daarna kwam One Gorgeous Baby. Nog wat later hebben ze me gevraagd voor een reeks boeken met Carl Norac, die in het Nederlands verschenen zijn Mijn papa is een reus, Mijn mama kan toveren enz. Macmillan was heel duidelijk: hun boeken moeten verkopen, in heel de wereld, ze moeten dus commercieel en toegankelijk zijn. Het was voor mij een sport om commercieel en toch fijn te blijven. Ik heb steeds geprobeerd mooie boeken te maken die toch een breed publiek konden aanspreken. Ik vind zelf wel dat ik daar goed in geslaagd ben. Soms moest ik ook wel wat gas terugnemen. De kartonboekjes met flapjes rond het figuurtje Bo waren bijvoorbeeld ‘too sophisticated’.

In die tijd verscheen ook Wachten op Matroos

Dat is een apart geval. Ik illustreerde meestal in opdracht, ik maakte illustraties bij teksten van anderen. Het verhaal van Wachten op matroos was mijn verhaal. Het zat al jaren in mijn hoofd, maar er was nooit tijd voor, want er waren altijd opdrachten. Brood op de plank ging altijd voor. Toen ik het uiteindelijk toch wilde gaan maken, heb ik het eerst voorgelegd aan Casterman. Die vonden het een schitterend verhaal, maar er moesten kindjes in. Een verhaal met alleen maar volwassen personages zou niet verkopen, en ze vonden dat ik zo mooi kindjes kon tekenen. Daar ben ik niet in meegegaan omdat ik voor het eerst mijn leven overtuigd was dat het verhaal moest blijven wat het was. Op de boekenbeurs van Montreuil heb ik toen wat schetsen getoond aan jou, weet je nog? Je was meteen enthousiast, en het boek zou toen bij Ludion uitkomen. En toen werd het kinderboekenfonds van Ludion overgenomen door Querido en zat ik plots bij Querido.

—. Ik kan misschien wel goed tekenen, maar veel minder goed schrijven. Ik zag ook veel te veel collega-illustratoren die wel zelf teksten schreven bij hun illustraties, maar bijna altijd haalden die teksten niet het niveau van hun illustraties, soms waren ze zelfs van een zeer laag niveau. In die val wou ik niet trappen.

— Ingrid Godon
Wachten op Matroos

Wachten op Matroos was jouw verhaal, toch koos je ervoor de tekst door iemand anders te laten schrijven?

O ja, ik wist meteen dat ik dat wilde. Ik kan misschien wel goed tekenen, maar veel minder goed schrijven. Ik zag ook veel te veel collega-illustratoren die wel zelf teksten schreven bij hun illustraties, maar bijna altijd haalden die teksten niet het niveau van hun illustraties, soms waren ze zelfs van een zeer laag niveau. In die val wou ik niet trappen. Omdat ik vond dat André Sollie wel een erg goeie pen heeft en hij net als ik ook iets met de zee heeft, heb ik hem gevraagd of hij er tekst bij wou schrijven. Hij heeft gelukkig ja gezegd. (lacht) Het was mijn eerste eigen boek en het viel meteen in de prijzen: het kreeg een Gouden Griffel, een Boekenwelp, een Boekenpauw en een Vlag en Wimpel.

Ook Wachten op Matroos verscheen in het Engels. Je hoort wel eens zeggen dat de Engelse uitgevers strenge beperkingen opleggen over wat wel en niet kan in een prentenboek.

Daar heb ik bij Wachten op Matroos geen last van gehad, integendeel. In het Engels heette het boek niet ‘Waiting for Sailor’, zoals je zou verwachten, maar kreeg het de veel suggestievere titel Hello Sailor. Na verschijnen doken plots recensies op waarin het een homoboek genoemd werd. Bij Querido hadden ze dat ook al eens gezegd. Ik had dat er zelf nooit in gezien. Het is ook wel tekenend voor onze maatschappij: twee mannen die samen op reis gaan, dat is verdacht. Twee vrouwen die samen op reis gaan, daar wordt nooit iets achter gezocht. Ik ga al járen met een vriendin op citytrip. (lacht)

Ik verdenk Macmillan er ook wel een beetje van dat ze die titel bewust gekozen hebben. Er was in die tijd in Engeland veel te doen over Section 28, een wet die de ‘promotie’ van homoseksualiteit verbood. Het boek heeft daardoor wel veel persaandacht gekregen, er is zelfs een artikel verschenen waarin letterlijk stond dat de twee mannen samen naar boven gingen in de zoveel meter hoge penis. En dan reageerden mensen: ‘Oh, dat boek moet ik dan wel gaan kopen, dat wil ik dan wel eens lezen.’ Het boek heeft daar, net als hier, duidelijk zijn weg gevonden in twee circuits: kinderboekwinkels en homoboekhandels. 

Maar je vroeg naar beperkingen die uitgevers oplegden. In andere boeken heb ik er wel mee te maken gehad. Zo had ik in What shall we do with the Boo-Hoo Baby een koe getekend. Met een uier! Die uier moest eruit, die kon niet voor de Engelse kindjes. En in One Gorgeous Baby krijgt een kindje snoepjes. Die heb ik moeten veranderen in veel gezondere aardbeien.

De boeken die je noemt zijn prentenboeken voor kleuters en wat oudere kinderen, maar je staat ook bekend om je boeken voor jonge peuters, over de figuurtjes Nellie en Cezar. Hoe is die reeks ontstaan?

Het was een idee van mij. Mijn jongste zoon was toen een jaar of drie. Ik merkte dat hij het moeilijk had met begrippen als in en op en achter en onder. Ik dacht: hij zal vast niet het enige kind zijn dat dergelijke begrippen moeilijk vindt. Daarom heb ik twee figuurtjes bedacht, een kikker en een muis, om die begrippen aanschouwelijk te maken. Eerst heb ik Nellie en Cezar getekend voor de tijdschriften. De idee om er boekjes van te maken kwam van Casterman. Er kwamen steeds nieuwe thema’s bij. Ondertussen is het uitgegroeid tot een fenomeen. Volgend jaar bestaat de reeks 20 jaar.

Ik teken ze nog altijd graag. Toen ik ziek werd, ik heb twee keer kanker gehad, heeft de uitgeverij wel de studio ingeschakeld, de reeks moest verder. De tv-reeks met tekenfilms kwam er net aan, er moesten boeken verschijnen. Bij die illustraties staat ‘naar Ingrid Godon’, en je merkt het verschil wel. Die figuren zijn houterig, zielloos. Ook de opstellingen zijn veel houteriger. Ik begrijp dat ook wel, de mensen van de studio kunnen dat nooit zo onder de knie krijgen. Ik heb die figuren echt wel in mijn vingers, daar hoef ik me het hoofd niet meer over te breken. Nu teken ik er weer zoveel mogelijk zelf. Er zijn wel figuren bijgekomen. Eerst waren ze met twee, maar nu zijn ze met vijf. Dat was nodig toen er een reeks tekenfilms van gemaakt werd: er waren meer personages nodig om ruimte te scheppen voor de scenario’s.

Er zit ook wel een evolutie in de stijl waarin ze getekend zijn. Twintig jaar geleden tekende ik Nellie en Cezar heel voorzichtig en fijn met een dunne Rotring-pen. Op een bepaald moment heb ik een grote partij karton opgekocht en ben ik daarop beginnen werken. Toen is alles sterker geworden. Op dat karton kon ik gewoonweg niet met aquarel werken, het karton zuigt alles weg. Het materiaal vraagt sterkere kleuren en een andere lijnvoering. Door dat karton is er veel gaan bewegen in mijn stijl.

— Ik denk dat mensen toen ook zagen: o, die brave lieve Godon heeft nog wat anders in haar mars.

— Ingrid Godon

Sowieso valt me op, als ik je vroege werk bekijk en het werk dat hier hangt, dat je een lange weg hebt afgelegd. Van een realistische stijl ben je geëvolueerd naar een meer gestileerde en experimentele stijl.

Ik heb er dan ook dertig jaar over gedaan, he. (lacht) Maar het klopt wel wat je zegt. Less is more, daar geloof ik steeds meer in. Ik wilde graag loskomen van mijn oude stijl, maar het is heel traag gegaan. Ik wou is daarin een keerpunt. Dat is eigenlijk heel toevallig gegaan, doordat ik op een keer gewoon voor mezelf een portret had nagetekend en dat was gaan schaduwen en inschilderen. Ik dacht: wow, dit is iets nieuws. Die verrassing gaf me zin in meer. Zo is er een eerste reeks portretten ontstaan, die vervolgens getoond zijn op een overzichtstentoonstelling van mijn werk in Genk. Daar kwamen heel enthousiaste reacties op, mensen zeiden me dat ik er zeker mee verder moest gaan. Ik denk dat mensen toen ook zagen: o, die brave lieve Godon heeft nog wat anders in haar mars. (lacht)

Ik heb toen nog een reeks andere portretten getekend, en stilaan groeide toch de idee: zou dit geen boek kunnen worden? Querido heeft Bart Moeyaert gevraagd er teksten bij te schrijven. Hij was heel erg gepakt door de portretten, maar hij heeft de opdracht uiteindelijk teruggegeven. Ik denk dat hij er te veel een verhaal van wilde maken. Zonder tekst zag Querido het niet zitten. Toen ben ik bij Lannoo gaan aankloppen. Die zeiden hetzelfde, het was een heel moeilijk boek. Maar ze wilden het toch doen, zonder tekst. En toen belde Toon Tellegen me op, of ik al iemand had voor mijn project. En dat hij anders graag de teksten zou schrijven. Je kunt je voorstellen wat voor een cadeau dat was. Ik had al wel illustraties gemaakt voor zijn boek Morgen was het feest, maar dat een reus als Tellegen teksten bij mijn portretten wou schrijven, dat maakte me heel nederig. Ik heb toch nog altijd een beetje het gevoel dat ik niet zo veel kan. Toon heeft een aantal portretten gezien, en is toen aan het schrijven gegaan. Hij wou niet veel zien, hij wou vrij kunnen schrijven.

Het boek dat door de uitgevers bestempeld werd als ‘heel moeilijk’ werd een groot succes: bijna meteen na verschijnen was er al een tweede druk.

Ja, ongelooflijk. Bij Lannoo noemen ze het echt een succesboek. Er is nu zelfs een vierde druk gepland, en het boek is ook uitgegeven in het Frans en het Duits. We hebben wel het enorme geluk gehad dat bijna gelijktijdig met het verschijnen van het boek een hele mooie tentoonstelling met de portretten uit het boek opende in Museum M in Leuven. En het was cadeautjesperiode, dat hielp ook voor zo’n luxueus uitgegeven boek. En de portretten sloegen gewoon heel erg aan. Mensen waren geïntrigeerd door de ogen, de blik. Sommige mensen schrokken ervan, maar werden dan toch nieuwsgierig. Veel mensen herkenden ook iemand of iets. Het is ook een boek voor alle leeftijden, ik hoor ook mensen die er met kinderen mee werken rond gevoelens. 

Door het succes van Ik wou kon ik bij Lannoo een nieuw boek maken: Ik denk. Het is helemaal anders geworden. Ik wilde geen gewoon vervolg zou worden, zo van: we tekenen nog eens dertig portretten. Het portrettenboek was rond. Daar moest niets aan toegevoegd worden. Maar de los getekende schetsen die er ook in stonden, op die weg wilde ik verder. Ik wist ook vrij snel dat ik maar een paar kleuren wilde, rood, wit, zwart. En ik had een bruinig papier ontdekt, dat heel bijzonder is om op te tekenen, omdat het een oud effect geeft. Dus daar wilde ik iets mee doen. Eerst wou ik helemaal geen mensen meer tekenen, meer elementen, maar een toneeldoekgordijn waar een streep licht doorvalt, een berkenbos, dat soort dingen. Poëtische beelden die mij raken. Maar gaandeweg kwamen de mensen toch terug, ik denk dat ik wel mijn hele leven mannekes zal tekenen. (lacht) Ik ben ook gaan experimenteren met druktechnieken, met monotype, wat ik daarvoor nooit gedaan had. Toen ik in december in Wenen was zag ik in de Albertina een tentoonstelling van kleurendrukwerk uit de vijftiende eeuw. Dat inspireerde me om zelf te gaan experimenteren. Geen houtsnedes, want met hout verlies ik mijn soepele lijn. Maar monotype gaf mooie resultaten.

—En toen belde Toon Tellegen me op, of ik al iemand had voor mijn project. En dat hij anders graag de teksten zou schrijven. Je kunt je voorstellen wat voor een cadeau dat was. Ik had al wel illustraties gemaakt voor zijn boek Morgen was het feest, maar dat een reus als Tellegen teksten bij mijn portretten wou schrijven, dat maakte me heel nederig.

— Ingrid Godon

Ik heb erg genoten van het maken van dit boek. De uitgeefster had me carte blanche gegeven: ‘Teken maar!’ Ik heb me gewoon geamuseerd, heb vanalles gemaakt, en wat ik goed vond is erin gekomen. Toon Tellegen heeft opnieuw de teksten geschreven. Hij wou dit keer vooraf helemaal geen illustraties zien. Toch vormen ze een mooi geheel met mijn illustraties. Ik vind het zelf een wonder dat het zo werkt. Het is blijkbaar de chemie tussen ons beider werk. Toen we aan het tweede deel begonnen zei Toon trouwens: laten we er dan meteen drie maken. En dat gaan we dus ook doen. Er komt dus nog een Ik moet.

Op een grote schildersezel in haar tekenkamer hangen allerlei intrigerende illustraties van personages en landschappen. Weer heel ander werk dan wat ik net in Ik denk te zien heb gekregen. Sterke figuren die soms zelfs Schiele-achtig aandoen.

— Doormijn ziekte (ik heb tweemaal kanker gehad) en door het verlies van mijn echtgenoot Dirk sta ik anders in het leven. Vroeger was ik een tekenmachine. Ik heb keihard gewerkt. Het stopte nooit. Na al mijn tegenslagen was het duidelijk dat ik dat niet meer wilde. Wat dan wel? Eindelijk tijd voor mezelf en meer kwaliteit.

— Ingrid Godon

Die prenten heb ik gemaakt voor een boek van Paul Verrept. Die illustraties zijn weer heel anders geworden. Paul vroeg al lang om samen een boek te maken, en nu hebben we dat dus gedaan. De bank heet het en het verschijnt bij De Eenhoorn, voor volwassenen. Voor dit boek ben ik in het wilde weg beginnen tekenen. Wat daar hangt, is maar een fractie van wat ik allemaal gemaakt heb. Kijk, deze stapel, dat zijn allemaal illustraties die ik voor dit boek gemaakt heb. Daarna heb ik moeten puzzelen welke erin zouden komen. Dat was niet makkelijk. Ik was begonnen met drukken, daarna ben ik tekeningen gaan maken, en omdat ik vond dat die twee niet samengingen heb ik de druksels weggelegd, maar daarna zijn ze er toch weer bij gekomen, omdat ik plots besefte: de mensen teken ik, de landschappen druk ik. Die combinatie bleek perfect te werken.

Je hebt jarenlang vrij constant geïllustreerd, nu zien we plots een heel andere Ingrid Godon, die hele nieuwe en uiteenlopende kanten van haar talent toont. Hoe komt het dat je de laatste jaren zo een duidelijk andere en gedurfdere manier van werken hebt ontwikkeld?

Dat het lang geduurd heeft, heeft te maken met het feit dat ik toch wel bang en onzeker was. Daardoor heb ik lang vastgezeten in die schoolboeken en tijdschriften, waar altijd weer hetzelfde gevraagd werd, altijd weer die lieve illustraties waar ik om bekend stond. Ik deed dat blijkbaar goed, dus ze kwamen altijd terug. Het was voor mij ook wel een leerschool. Ik nam ook elke opdracht aan, er moest tenslotte brood op de plank komen. Hoe weinig uitdagend de opdracht ook was, ik dacht steeds: er zal wel iets zijn wat ik eruit kan halen. Omdat ik altijd het gevoel heb gehad: ik moet nog veel leren, ik ben er nog lang niet. Ik denk dat nog altijd, hoewel ik wel zie dat ik goed bezig ben. (lacht)

Daarnaast heeft het te maken met het feit dat ik geen echte opleiding heb gehad. Die monotypes waar ik nu voorzichtig mee experimenteer, die techniek heb ik nooit geleerd op school. Ik heb tijdens mijn opleiding alleen met plakkaatverf geschilderd, maar nooit met aquarel, nooit met olieverf, ik heb nooit collages gemaakt… Dat heb ik allemaal zelf moeten ontdekken. Als mensen naar mijn opleiding vragen antwoord ik daarom meestal dat ik autodidact ben. Het meeste heb ik al doende geleerd. Ik zie nu jonge mensen die tijdens hun opleiding zoveel aangereikt krijgen, die heel erg gestuurd en begeleid worden. Dat is een totaal andere start.

En er speelt nog iets anders. Door mijn ziekte (ik heb tweemaal kanker gehad) en door het verlies van mijn echtgenoot Dirk sta ik anders in het leven. Vroeger was ik een tekenmachine. Ik heb keihard gewerkt. Het stopte nooit. Na al mijn tegenslagen was het duidelijk dat ik dat niet meer wilde. Wat dan wel? Eindelijk tijd voor mezelf en meer kwaliteit. Soms voelde ik wel dat ik meer in mij had. Het kwam gewoon niet aan bod door de vele andere opdrachten. Daarom nam ik minder werk aan en koos duidelijk voor goeie teksten en ben ik meer gaan zoeken naar mijn eigen taal. Ik ben ook erg blij dat mijn werk opgemerkt en bewonderd wordt. In binnen en buitenland. Het moedigt mij aan en geeft me meer zelfvertrouwen en zin om verder in deze richting te gaan.

Er is echt wel iets veranderd. Voor het eerst in zoveel jaren heb ik me dit jaar in Bologna niet echt thuis gevoeld. Dat heeft volgens mij echt te maken met de boeken die ik nu aan het maken ben, Ik denk en De bank. Ik wil graag verder evolueren in die richting. Maar ik ga ook weer een kinderboek maken met Sylvie Neeman, de auteur van Quelque chose de grand. En er komt nog iets moois aan. Voor de stad Genk ga ik een kinderboek maken voor de 150ste verjaardag van Emiel van Doren. Ik heb de opdracht aangenomen, omdat ik het verhaal van Emiel van Doren en de schilders om hem heen heel boeiend vind, maar tegelijk vind ik het best moeilijk omdat het zo’n open opdracht is. “Doe maar,” zegt de stad Genk.

Hoorde ik je net niet zeggen dat je de carte blanche die je kreeg voor Ik denk een groot cadeau was?

Ja, dat is het ook echt. Maar Ik denk is een boek dat helemaal van mij is, en waarin ik helemaal los kan gaan. De illustraties voor dat boek zijn echt ontstaan vanuit de buik. Een opdracht zoals die voor de stad Genk is anders. Het blijft een opdracht, ik moet natuurlijk wel iets rond Van Doren gaan doen. Het is een beetje vergelijkbaar met mijn boek over Caillebotte, dat ik gemaakt heb voor het Gemeentemuseum Den Haag. Daar zeiden ze ook: ‘Doe maar.’ Zoveel vrijheid viel niet mee. Een kader is soms toch wel makkelijk. (lacht) Ik heb er lang over lopen nadenken, tot de deadline schrikwekkend dichtbij kwam. Uiteindelijk heb ik de schilderijen op mijn manier verbeeld. Toon Tellegen heeft ze van tekst voorzien.

De Vlaamse illustratoren doen het al een paar decennia heel erg goed in het buitenland. Hoe komt dat, denk je?

Omdat we goed zijn natuurlijk. (lacht) En omdat we heel divers zijn, ieder heeft zijn eigen stijl. En omdat we durven. Al loopt dat laatste een beetje terug. Niet bij de illustratoren zelf, ik zie bij de jonge generatie mensen die heel erg durven hun eigen ding te doen. Maar bij de uitgevers zie ik de laatste jaren minder durf. Ze zijn allemaal voorzichtig geworden. Dat Isabelle Vanden Abeele niet meer bij een uitgever terecht kan, vind ik ongelooflijk. En Goedele Dewanckel zit nu om die reden bij een Italiaanse uitgever. Daar kan haar werk nog wel. Maar onze Vlaamse en Nederlandse uitgeverijen nemen duidelijk gas terug. Ik word er zelf ook mee geconfronteerd. Voor Bloomsbury in Berlijn heb ik een boek van Heinz Janisch geïllustreerd, Rita. Dat kreeg in 2013 de Oostenrijkse Kinder- und Jugendbuchpreis. Maar ik krijg het hier aan geen uitgever verkocht. ‘Te moeilijk’, klinkt het eensgezind bij Querido, Lannoo, De Eenhoorn. Ik begrijp dat niet. Snappen die Oostenrijkse kinderen dan zoveel meer dan kinderen in Vlaanderen en Nederland?

Soms heb ik de indruk dat onze uitgevers liever eigen bijzondere boeken uitgeven. Een ander buitenlands boek van me, Quelque chose de grand, viel ook in de prijzen, en kreeg een lovende bespreking in de New York Times en is daar ook verkozen tot een van de tien mooiste kinderboeken van vorig jaar. Maar hier vindt het geen uitgever. Er wordt veel gerekend, uitgevers zijn heel voorzichtig geworden. Ik begrijp wel dat uitgevers in deze moeilijke tijden overeind moeten blijven. Maar ik denk vaak dat ze beter wat minder zouden uitgeven, en wat meer de kwaliteit zouden moeten bewaken. Al vraag ik me soms ook af: als ze minder zouden gaan uitgeven, zou dat dan niet vooral het commerciële werk zijn? Het is niet typisch voor het boekenvak, heel onze maatschappij is ervan doordrongen: we zijn oververzadigd. Boeken hebben daardoor ook een erg kort leven gekregen.

Neem nu mijn boek over Caillebotte. Ik was heel vereerd toen ik de vraag kreeg van het Gemeentemuseum van Den Haag, om bij hun grote Caillebotte-tentoonstelling een kinderboek te maken. En mijn prenten zouden ook nog eens een eigen plek krijgen in dat schitterende museum! Er was in de pers veel aandacht voor de tentoonstelling van Caillebotte, maar over het boek werd met geen woord gerept. Terwijl het museum met die reeks boeken zo’n mooie manier heeft gevonden om kinderen bij de tentoonstellingen te betrekken! Ik zie nog voor me hoe ik aardappelen stond te schillen toen het op de radio wel een kwartier lang over de tentoonstelling ging. Ik dacht: en nu komt het, nu gaan ze iets over mijn boek, zeggen. Maar neen, helemaal niets. En toen ik in de Standaard Boekhandel, de enige boekhandel die we nog hebben in Lier, naar mijn boek vroeg kreeg ik te horen dat ze het niet hadden omdat het een bepaalde code had, het was themagebonden en dus werd het niet ingekocht. “Maar mensen kunnen het wel bestellen,” stelden ze me gerust. Maar wie doet dat, als het er niet ligt en mensen niet van het bestaan van een boek afweten? Dat Caillebotte-boek is nochtans een boek waar ik erg trots op ben, net als op Ik wou en Quelque chose de grand en de boekjes over Oele en Lila.

—Er wordt veel gerekend, uitgevers zijn heel voorzichtig geworden. Ik begrijp wel dat uitgevers in deze moeilijke tijden overeind moeten blijven. Maar ik denk vaak dat ze beter wat minder zouden uitgeven, en wat meer de kwaliteit zouden moeten bewaken.

— Ingrid Godon

Daarmee is het ook niet gelopen zoals ik gehoopt had. Uitgeverij Querido wilde boekjes voor kleine peuters, en dat is dan Dit is Oele en Dit is Lila geworden, met mijn illustraties en tekst van Imme Dros. Het moest een nieuwe, commerciële maar mooie reeks worden. Net daarom heb ik er onwaarschijnlijk hard aan gewerkt, ik heb er echt mijn tanden in gezet om te zorgen dat die twee figuren er zouden staan. Eerst verschenen twee aparte boekjes om de figuurtjes te introduceren, daarna zou er een boek komen dat je kon omdraaien, en waar ze elkaar in het midden zouden ontmoeten. De eerste boeken waren nog maar anderhalve maand verschenen en ik was hard aan dat dubbelboek aan het werken, toen ik een telefoontje kreeg van de redacteur: de uitgeverij had besloten niet met de boekjes verder te gaan, omdat de verkoopcijfers tegenvielen. Anderhalve maand na verschijnen? Dat is toch niet ernstig? Een boek krijgt geen tijd meer om te leven. Gruwelijk vind ik dat. Als je weet hoe lang je soms aan een boek werkt, en dan ziet dat het na twee maanden soms gewoon helemaal weg is, dat is toch droevig, erg droevig? Gelukkig werkt het niet altijd zo. (lacht) Straks ligt de vierde druk van Ik wou er, naast een al even mooi uitgegeven Ik denk.

LEES OOK

‘Een boek moet je raken’

Een interview met Jacques Dohmen …

‘Als je wilt, kun je in jezelf alles vinden’

Een interview met Aidan Chambers …

‘Als je je God voorstelt als een tienerjongen, valt alles plots op zijn plaats’

Een interview met Meg Rosoff …
Abonneer
Laat het weten als er
0 Reacties
Inline feedbacks
Bekijk alle reacties

Een vader die alles kan

Hoe kunnen er zoveel gedachten in één hoofd passen?

Iedere olifant doet wel iets

Reading literature gives us images to think with.

— Aidan Chambers

meest recente berichten

Terra Ultima

Terra Ultima wint de Woutertje Pieterse Prijs 2022

Wie wint de Woutertje Pieterse Prijs 2022?

‘Een zee van liefde’ valt twee keer in de Boon-prijzen

Zoeken