Het leven is geen sprookje

Over de Meisjes van Annet Schaap
De Meisjes Annet Schaap

Annet Schaap, tot dan bekend van haar illustraties voor onder meer Francine Oomen, Janneke Schotveld en Jacques Vriens, verraste in 2017 de voltallige kinderboekenwereld met een eerste boek van haar hand: Lampje. De rest is ondertussen geschiedenis: meer dan 130.000 exemplaren zijn ervan verkocht, de vertaalrechten zijn verkocht aan 22 landen, er is een televisieserie in de maak, en het boek kreeg tal van prijzen, waaronder de Gouden Griffel, de Woutertje Pieterse Prijs en de Boekenleeuw.

Nu is er de Meisjes, dat als ondertitel ‘Zeven sprookjes’ meekreeg. Schaap heeft zich voor dit prachtig uitgegeven boek gebaseerd op vijf sprookjes van Grimm en twee van Perrault: Hans en Grietje, Repelsteeltje, Kapitein Blauwbaard, Roodkapje, De kikkerkoning, Doornroosje en Belle en het Beest.

Bij Schaap echter geen ‘Er was eens…’ Toch begint elk verhaal op een herkenbare, geijkte manier: met meteen in de openingszin een meisje, soms twee meisjes. Een meisje dat zit te borduren in een torenkamer, een meisje dat haar geschiedenis zit te leren aan de grote tafel, twee meisjes die aan tafel zitten, elk met een boek voor zich. Herkenbare taferelen, die je zo voor je ziet. Toch dragen de openingsscènes al meteen iets unheimlichs in zich:

‘Het meisje zit te spinnen in de zon in de achterkamer. Het is middag, het licht is zacht en alles is goed. De aardappels zijn geschild, de soep staat al uren op en haar moeder ligt al zo lang in haar graf dat het gewoon geworden is, en bijna niet meer erg.’ (‘Meneer Pelsteel’)

En het meisje dat in ‘Wolf’ haar geschiedenis zit te leren aan de grote tafel, bestudeert meer bepaald de ‘Donkere Middeleeuwen’, in een boek met prenten van een beul met een grote hamer, een man vastgebonden op een groot wiel, en in de verte mannetjes aan galgjes.

 

De meisjes

Als de verhalen over twee meisjes gaan, zijn het zusjes, wier relatie – zacht uitgedrukt – niet eenduidig liefdevol te noemen is. Vaak is er jaloezie of afgunst in het spel, omdat de ene zus aantrekkelijker, sympathieker, slimmer dan de andere is of meer aandacht krijgt. In ‘Blauw’ lezen we bijvoorbeeld: ‘Van je eigen zus hoor je te houden natuurlijk, maar Anna doet het maar heel soms.’ Schaap windt geen doekjes om het zussenvenijn: 

‘Dat is dan weer het goeie van de oudste zijn, denkt Anna. Ze kan Lize altijd alles laten doen wat ze wil. Ze hoeft meestal maar een klein beetje te duwen om haar ja te laten zeggen.’

En als de zussen in ‘Koekjes’ ruzie maken en boos op elkaar zijn omdat Grietje stiekem het laatste koekje heeft opgegeten: ‘Wat moesten ze anders dan samenblijven?

Hoe weinig sprookjesachtig dat ook mag klinken, meisjes zijn ook bij Schaap meisjes, en net als in de sprookjes dromen ze van hun prins. In het eerste sprookje in deze bundel, ‘Meneer Pelsteel’, geeft de dochter van de molenaar zich over aan gedagdroom:

‘Er komt een prins, denkt ze, zoals ze dat heel vaak denkt. Een prins van ver, die me komt halen. Zijn paard zo wit als zijn gebit. En ik mag achterop. Zo rijden we dan in galop, zijn armen warm, zijn haren lang, als stro zo geel zo goud, en dan laat hij me nooit meer los, de man van wie ik houd.’

Maar spint ze bij Schaap wel  goudvan stro, of van haar dromerige gedachten?

‘Voor ze het weet spint ze haar gedachten uit tot een gouden draad. Haar droom heeft altijd ook een deel twee: Het Aanzoek, en een deel drie: Verloofd! Als ze de tijd heeft kan ze hem nog veel verder uitspinnen: De Koninklijke Bruiloft, De Wittebroodsweken, en dan: Lang en Gelukkig… De draad wordt langer en langer. Hij glinstert in de zon.
Vlak voor De Huwelijksnacht is het tijd om de aardappels op te zetten. Ze windt de draad om een klosje en staat op om het fornuis aan te steken.’

De molenaarsdochter is niet de enige die zich zo haar sprookje bij elkaar droomt. Dat doet ook de prinses in ‘Monstermeisje’:

‘Op een dag zal haar prins aan komen varen, weet het meisje. Een prins van ver die haar komt halen. Zijn zeil zo wit als zijn gebit, en zij mag met hem mee. Zijn rijk ligt ver over de zee, blauw z’n ogen, blauw z’n bloed. Dan ziet hij haar, dan kust hij haar. En dan, en dan…’

meisjes pelsteel

Maar in het universum van Schaap worden slapende meisjes niet wakker gekust door een prins, en kikkers blijven ook na talloze zoenen gewoon kikkers. Meestal zijn het de meisjes zelf die het heft in eigen hand nemen, en zorgen voor een al dan niet gelukkige toekomst. In ‘Meneer Pelsteel’ trouwt de molenaarsdochter, net als in het echte verhaal,  met de koning en wordt ze bij het spinnen van de gouddraad drie nachten lang geholpen door een klein, oud mannetje, dat telkens opnieuw een wederdienst vraagt voor zijn hulp: haar halsketting, haar verlovingsring en ten slotte haar eerstgeboren kind. Als hij na de geboorte van haar kind zijn prijs komt opeisen, wordt de molenaarsdochter niet gered door een tussenkomst buiten haarzelf om, maar retourneert ze de vraag naar de naam van het heerschap met een raadsel omtrent haar eigen naam, die noch de koning noch de bezoeker kent. Terwijl de twee mannen in een discussie daarover verwikkeld zijn, neemt zij haar kind en verlaat het paleis.

In de verhalen van Schaap worden de traditionele en stereotiepe genderrollen meer dan eens omgekeerd. ‘Kikker’ begint heel herkenbaar met een verwijzing naar een kikker die voor een meisje een gouden bal uit een vijver heeft gevist. Maar al snel blijken de rollen omgekeerd: hoe vaak en hoe hartstochtelijk het meisje de kikker ook zoent, de verhoopte, door het eeuwenoude sprookje zo vanzelfsprekend geachte transformatie blijft uit. Sterker nog, na een minder aangenaam avontuur met een man, die haar meteen probeerde te veranderen in zijn ideaalbeeld, beseft het meisje dat een kikker als echtgenoot best nog meevalt. Hij is wat klein uitgevallen, maar zijn mond is precies goed: ‘Breedbekkig. Groen. Zacht ook wel.’

Zoals haar tante het haar zegt: ‘Het leven is nu eenmaal geen sprookje.’ Of om het met de woorden van de tante van de prinses uit ‘Monstermeisje’ te zeggen: ‘Je kan moeilijk verwachten dat er een prins aan komt zeilen op een dag, die alles weer goed kust, nietwaar?’

De tantes, die in enkele verhalen opduiken als moderne feeën of peetmoeien, staan garant voor wat wijze raad. De ouders brengen het er een pak bekaaider af. Bij de pedagogische principes van de molenaar in ‘Meneer Pelsteel’ zijn bijvoorbeeld wel wat vraagtekens te plaatsen:

‘Prachtig werk, zou hij kunnen zeggen. Of: ongelooflijk knap. Maar zo’n vader is hij niet. Hij wijst haar liever op wat ze verkeerd doet en wat nog beter moet. Ze zou maar naast haar schoenen gaan lopen.’

meisjes Roodkapje

De moeder in ‘Wolf’ is te moe om boodschappen langs te brengen bij de zieke oma, en ook de online bezorgdienst is niet beschikbaar (‘Dezelfde dag nog gebracht, jaja. Beloof dat dan niet!’), en dus moet de dochter op pad. De vader in ‘Koekjes’ blijft ’s avonds steeds later op zijn werk, tot hij op een keer niet meer thuiskomt en de meisjes voor zichzelf moeten zorgen. Ze komen eten door hun speelgoed en later al de huisraad te ruilen voor de inhoud van de brooddozen van hun klasgenoten. De scènes waarin ze een tv, lampen, eetkamerstoelen en zelfs een grote staande klok ruilen voor wat boterhammen, leveren hilarische momenten op, maar leggen tegelijkertijd de vinger op de wonde:

‘De meisjes hadden veel moois staan, hun vader was altijd guller met cadeautjes geweest dan met zichzelf.’

De ouders in ’Slaapster’ zijn zo geobsedeerd door de naderende dood van hun ene dochter en het verlangen om nog zoveel mogelijk tijd door te brengen met haar dat ze niet merken dat ze nog een dochter hebben.

‘Jullie hebben nog een dochter.’
Even waren de twee ouders opgeveerd, maar nu zonken ze terug in hun stoelen.
‘Ach ja,’ mompelden ze.

En wat te denken van de ouders in ’Blauw’, die hun dochter als dienstmeisje bij de Dominee laten werken, ondanks de geruchten over verdwijnende meisjes? Of van de ouders in ‘Monstermeisje’, die hun reusachtige en harige dochter verbannen naar een toren op een eenzame plek, waar ze moet wachten tot een prins haar komt ophalen?

Toch blijft Annet Schaap in deze bundel eigenlijk opmerkelijk dicht bij de oorspronkelijke sprookjes. Ze weet net genoeg elementen – en precies de juiste – uit de traditionele sprookjes te halen, zodat de verhalen voldoende herkenbaar blijven. Het eten voor de oma, het meisje met de rode regenjas, de wolf in ‘Wolf’. Twee kinderen die achtergelaten zijn door hun vader, een spoor van kruimels achter zich laten en met snoepgoed in de val gelokt worden door, in dit geval, twee dames in ‘Koekjes’. De rijke man die op reis vertrekt en de sleutels van zijn luxueuze woning aan zijn vrouw, hier het dienstmeisje, geeft, met de strikte mededeling dat ze overal mag komen behalve in één kamertje in ‘Blauw’. De originelen zijn moeiteloos te herkennen.

Meisjes sleutels

Vervolgens zet Schaap de sprookjes echter helemaal naar haar hand en maakt ze er haar eigen verhaal van. Ze voegt moderne elementen toe, van gsm’s en computers tot barbies en make-up, hier en daar een maatschappijkritische noot en regelmatig een stevige portie girl power. Maar het zou te makkelijk zijn om deze verhalen louter eigentijdse of feministische bewerkingen van de traditionele sprookjes te noemen. Schaap maakt de sprookjes, met hun kenmerkende archetypes, hun flat characters en hun  onbepaalde setting in tijd en ruimte een pak realistischer en tastbaarder en grondt ze in de werkelijkheid. En vooral: van de bordkartonnen sprookjesfiguren maakt ze echte personages, echte mensen van vlees en bloed, met persoonlijkheden die echt uitgediept worden, van het meisje in ‘Kikker’ dat een ideale man wil maar uiteindelijk genoegen leert nemen met haar kikker tot het zusje in ‘Slaapster’ dat zichzelf wegcijfert voor haar zieke zus, tot ze voor haar eigen geluk kiest.

Zelfs de wolf uit ‘Wolf’ krijgt psychologische diepgang. Het dier, dat door de mensen voorzien is van een zender en opgesloten is binnen een omheining van prikkeldraad, is verworden tot een ‘sierwolf’, met als enige bestaansrecht het feit dat wij mensen ‘zo graag een stukje echte wilde natuur willen behouden’. Annet Schaap doet iets heel slims in dit verhaal: ze geeft de wolf een eigen stem. Zo kom je als lezer te weten dat hij fysiek zijn rol als schrikwekkend roofdier misschien niet meer kan opnemen, maar dat in zijn hoofd het vuur onverminderd brandt:

‘De hele dag heet hij al de baldadigheid in zijn kop. En de honger in zijn maag, maar niet naar dat slappe dooie vlees. Naar iets levends, iets spartelends. Iets bangs.’

Meisjes wolf

Als het meisje de omheining nadert, denkt de wolf:

‘Krijg nou wat. Dat rook hij dus.
Prooi is het, prooi staat daar! Heel vlakbij! Geen haasje, zo’n ander ding, een mensje, een meisje, rood als bloed, mals van vlees, sloom van voet.’

Een alinea als de voorgaande maakt meteen ook duidelijk waar de allergrootste troef van dit boek ligt: in het heerlijke verteltalent en de grote stilistische zeggingskracht van Annet Schaap. Haar verhalen wemelen van de prachtige, poëtische, soms weemoedige, dan weer onheilspellende zinnen. In ‘Koekjes’ klinkt het, herhalend, bezwerend bijna:

‘Want als alles in het leven is omgevallen, moet je je ergens aan vasthouden, en hun vader hield zich het liefste vast aan zijn werk.’

‘Maar als het leven een gat heeft geslagen moet je dat ergens mee vullen, en de schijf van vijf helpt dan niet zo.’

‘Want als er zoveel is verdwenen van wat er altijd was moet je je ergens aan vastgrijpen, en Haasje hield zich met haar ene hand stevig vast aan haar zus en met de andere aan haar vader vast.’

En wanneer het meisje met de rode regenjas in ‘Wolf’ over het kerkhof loopt:

‘Iedereen hier is alleen nog een naam, uitgehouwen in glanzend steen. Geliefde vader. Te vroeg ons ontvallen. Veilig in Jezus’ armen. Geboren, gestorven, geboren, gestorven. Rechtop in de regen of liggend vol plassen regenwater.’

In ‘Blauw’ klinkt het plots veel onheilspellender:

‘Dat ze het hier nooit schoon gaat krijgen, is haar eerste gedachte. Met wat er hangt en wat er ligt en hoe de vloer eruitziet.
Haar tweede gedachte is dat ze veel beter niet kan zien wat ze ziet.’

Annet Schaap heeft geen grote woorden nodig, maar met haar heel precies gekozen woorden weet ze feilloos een gevoel of een sfeer op te roepen en de lezer te prikkelen. Ook de prachtige zwart-witillustraties die ze zelf bij de teksten maakte, mogen er dan eenvoudig uitzien – vaak stellen ze gewoon een voorwerp voor – maar ze roepen regelmatig eenzelfde unheimliche sfeer op als de verhalen.

De Meisjes is een heerlijk en intrigerend boek, waarin Annet Schaap haar grote verteltalent en haar grote stilistische kracht weliswaar heel anders maar even overtuigend inzet als in Lampje

 

Annet Schaap: de Meisjes. Zeven sprookjes, Querido, 2021.
ISBN 9789045126692.

0
Uitgelezen Icoon Lessuggesties

Wil je graag met dit boek aan slag gaan in de klas? Hier vind je enkele lessuggesties.

Uitgelezen Icoon Interview

Jaap Friso en Bas Maliepaard spraken met Annet Schaap over de Meisjes. Zeven sprookjes. Beluister dit interview op de Grote Vriendelijke Podcast.

Uitgelezen Icoon Boek Als je dit graag leest

Weg van dit boek? Lees dan zeker ook Lampje, van dezelfde schrijfster!

Deel dit bericht

Share on facebook
Share on twitter
Share on linkedin
Share on email

LEES OOK

Verdriet verdwijnt niet, je groeit eromheen

Over Briefjes voor Pelle van Marlies Slegers …

De fantasie en het oprukkende Niets

Over het oneindige verhaal van Michaël Ende …

Kijk maar

Over Maar eerst ving ik een monster van Tjibbe Veldkamp en Kees de Boer …
Abonneer
Laat het weten als er
0 Reacties
Inline feedbacks
Bekijk alle reacties

Een vader die alles kan

Hoe kunnen er zoveel gedachten in één hoofd passen?

Iedere olifant doet wel iets

Reading literature gives us images to think with.

— Aidan Chambers

meest recente berichten

Toon Tellegen

Meer dan dieren

Goud voor Pieter Koolwijk en Ludwig Volbeda

De allermooiste Gouden Griffels

Zoeken