Niet van deze wereld

Over Het bamboemeisje van Edward van de Vendel en Mattias De Leeuw
Bamboemeisje

Het bamboemeisje begint heel intrigerend met een twee pagina’s beslaande illustratie van een op de rug geziene meisjesfiguur in een groene jurk met op de achtergrond een blauwe hemel, en een verteller die haar in de jij-vorm aanspreekt:

Jij stond op de maan. Want daar woonde je – op de maan.’

Het meisje neemt een pak grote zoete koeken en een glas blauwe limonade en gaat dan naar een kamer met een verrekijker, die ze richt op ‘dat ene plekje’ op aarde: Oi.

Als lezer kijk je met het meisje mee door de verrekijker, terwijl ze steeds meer inzoomt. Op dat moment verandert het vertelperspectief, van een jij-perspectief naar een alwetende verteller.

‘Oi was een klein lapje land in Japan, waar goede mensen woonden. Veel van hen waren gewone, vriendelijke burgers, maar je had er ook een rijtje prinsen, en: een heel, heel oude keizer.’

Zo begint Edward van de Vendels hervertelling van een eeuwenoud Japanse sprookje. In Oi wonen een oude bamboesnijder en zijn vrouw, de jurkenmaakster. Ze zijn stokoud, zo oud dat hun rimpels niet meer te tellen zijn.

‘Ach,’ glimlachte de bamboesnijder, ‘wat jammer dat er geen kindje is gekomen. Dat kindje had ze kunnen tellen.’
‘Dat is niet om te lachen,’ zei de jurkenmaakster.
‘Nee,’ zei de bamboesnijder. ‘Je hebt gelijk. Dat is niet om te lachen.’

Want ze hadden geen kindje. En om daar niet verdrietig over te worden, maakten ze grapjes.
Maar zoals het gaat in sprookjes, wordt hun diepe, dierbare wens toch vervuld. Op een dag hoort de bamboesnijder tussen het bamboe ‘Jie’, en nog eens ‘Jie’. In een bamboestengel ontdekt hij een minuscuul meisje, niet groter dan een centimeter of elf, dat een ‘prachtig blauw jakje’ en donkerblauwe schoentjes draagt.

‘De bamboesnijder kreeg er ogen van die traanden en dat werd alleen maar erger toen hij het kleine meisje optilde en in de kom van zijn handen naar zijn vrouw toedroeg.’

Het geluk van de bamboesnijder en zijn vrouw kan niet op. Ze zorgen voor Jie als was ze hun eigen dochtertje. En omgekeerd is Jie een bron van veel vreugde en geluk voor de twee oude mensen:

‘Hoe oud de ouders van het meisje ook waren, ze voelden zich bij elke centimeter die Jie groeide jonger worden.’

‘Als de jurkenmaakster en de bamboesnijder nadachten over hun blije meisje, dan begrepen ze niet waaraan de het verdiend hadden – zo’n kindje dat speelde als een ijsvogeltje, dat giechelde met het geluid van wegzwaaiende vlindervleugels.’

Bamboemeisje kleine Jie

Jie groeit op tot een beeldschone jonge vrouw, die alle mannen in de omgeving met verstomming en begeerte slaat en die ‘De Stralende Prinses Van Het Soepele Bamboe’ wordt genoemd: Nayotake no Kaguya-hime. Als ze de leeftijd bereikt om te trouwen, houdt ze de boot af. Ze wil helemaal niet trouwen, ze wil bij haar ouders blijven. Ze kan, ze mag niet trouwen, want ze is ‘niet van deze wereld’. Ze bedenkt een plan: elke aanbidder die zich komt aanbieden, moet een taak vervullen, een onmogelijke taak.

Op dat ogenblik verandert het perspectief heel even, en zijn we weer bij het meisje op de maan, dat opnieuw in de tweede persoon wordt aangesproken, waardoor je je ook als lezer aangesproken voelt.

‘Hoe kan ze dat nou doen? Zo vindt ze toch nóóit een leuke prins? Of heb ik het nu verkeerd begrepen? Is dit een sprookjesverhaal of niet?’

Vervolgens keren we terug naar het verhaal in Oi, waar de ene na de andere prins aan Jies deur staat en het patroon zich keer op keer herhaalt: de aanbidder stelt zich voor, looft het blauw dat zij draagt – steeds in andere bewoordingen -, dingt naar haar hand, krijgt een opdracht, slaagt er niet in die te vervullen en wordt door de bamboesnijder de deur gewezen. Tot er op een dag een jongen voor de deur staat die ‘haar hart deed zweven’. Jie weet niet wat te doen.

Het bamboemeisje Jie

Vanaf dat moment wisselt het verhaal vaker van perspectief, en geeft het meisje op de maan steeds vaker commentaar op wat ze in Oi ziet gebeuren:

‘NEE!’ riep jij, daarboven – en ook bij jou werd alles bleker dan het was.
Had je dat goed gehoord, had je dat goed gezien? De keizer?
Hij, die jongen?
Je ging terug in het verhaal en ja, het klopte allemaal: de keizer die zich nauwelijks vertoonde, die nog niemand in het dorp had gezien. De keizer die als jongen zonder naam het hart van Nayotake no-Kaguya-hime had proberen te veroveren. Het klopte allemaal.’

Ze leeft mee zoals een lezer meeleeft. Er zijn trouwens wel meer parallellen te ontdekken tussen het meisje op de maan en de lezer. Zo delen ze bijvoorbeeld ook het tijdsverloop, dat op de maan veel trager verloopt dan in Oi: in de tijdsspanne dat Jie volwassen wordt en haar ouders steeds ouder worden, kijkt het meisje op de maan door de verrekijker en eet ze enkele zoete koeken en drinkt ze haar glas leeg, net zoals de lezer zou kunnen doen tijdens het lezen van dit boek.

Het is een verrassende vondst van Van de Vendel, maar zeker niet de enige troef van dit boek. Het verhaal van Jie is een prachtig sprookje, over ouders en kinderen, over zorgzaamheid, maar vooral over de liefde. De liefde die overrompelend is, de liefde die uiteindelijk alles overwint.

‘Zo bleven ze een tijdje staan, want liefde maakt wat vast is vloeibaar en
wat vloeibaar is weer vast – het hangt je vleugels om en tegelijkertijd
spijkert het je spieren aan de grond. Het zet de wereld in zwart-wit,
terwijl het jou en hem, of haar en jou met de kleuren inkleurt
van het allereerste zelf geplukte paradijsboeket
van de allereerste paradijselijke pauwenverentooi.’

Van de Vendel haalt zijn heerlijkste Nederlands boven om dit oude verhaal te hervertellen voor lezers van nu. Eenvoudig, poëtisch, vol originele en verrassende formuleringen en beeldspraak. Telkens weer blijkt zijn talige meesterschap, of het nu gaat om zijn beschrijving van Jies ouders die ‘zo oud-en-oud-bejaard’ geworden zijn, of om de manieren waarop haar aanbidders de manier roemen waarop Jie haar blauwe mantel draagt:

‘o vrouwe, die blauw draagt alsof het water zelf het heeft geverfd.’

‘u, die zich zo stralend blauw voor mij bevindt, alsof de wind de korenbloemen uit het hele land bijeengewaaid heeft en er daarna bloemenverf van maakte.’

Mattias De Leeuw maakte schitterende sfeervolle illustraties bij dit sprookje. Het blauw van de hemel en van Jies mantel en het groen van de bamboestengels vormen samen met het roze van Japanse kersenbloesems de hoofdtonen van zijn prachtige kleurenpalet.  De Leeuw liet zich voor dit boek inspireren door oude Japanse prentkunst en kalligrafie, wat meteen voor een tijdloze oosterse sfeer zorgt. Doordat de tekst op de meeste pagina’s beperkt is, krijgen de prachtige illustraties alle ruimte. 

Een wondermooi boek.,

Edward van de Vendel: Het bamboemeisje, Querido, 2021.
Illustraties van Mattias De Leeuw.
ISBN 9789021414836.

0

Deel dit bericht

Share on facebook
Share on twitter
Share on linkedin
Share on email

LEES OOK

Een vader die alles kan

Over mijn vader van Toon Tellegen …

Wanneer de Dood een verhaal vertelt, kun je maar beter luisteren’

Over De boekendief van Markus Zusak …

Een vader als een poolvis met antivries

Over Vissen smelten niet van Jef Aerts …
Abonneer
Laat het weten als er
0 Reacties
Inline feedbacks
Bekijk alle reacties

Een vader die alles kan

Hoe kunnen er zoveel gedachten in één hoofd passen?

Iedere olifant doet wel iets

Reading literature gives us images to think with.

— Aidan Chambers

meest recente berichten

Toon Tellegen

Meer dan dieren

Goud voor Pieter Koolwijk en Ludwig Volbeda

De allermooiste Gouden Griffels

Zoeken